Are athletes really getting faster, better, stronger? | David Epstein

Are athletes really getting faster, better, stronger? | David Epstein

SUBTITLE'S INFO:

Language: Dutch

Type: Human

Number of phrases: 365

Number of words: 2276

Number of symbols: 11459

DOWNLOAD SUBTITLES:

DOWNLOAD AUDIO AND VIDEO:

SUBTITLES:

Subtitles prepared by human
00:00
Vertaald door: Dick Stada Nagekeken door: Els De Keyser Het olympisch motto is 'Citius, altius, fortius'. Sneller, Hoger, Sterker. De atleten hebben dat motto vlot waargemaakt. De winnaar van de olympische marathon van 2012 deed er twee uur en acht minuten over. Had hij tegen de winnaar van de olympische marathon van 1904 gelopen, dan was hij anderhalf uur eerder gefinisht. We hebben het gevoel dat we op een of andere manier als menselijk ras steeds beter worden, maar we zijn niet binnen een eeuw een andere soort geworden. Wat is hier aan de hand? Ik wil kijken wat er nu echt achter deze sportieve vooruitgang zit. In 1936 verbrak Jesse Owens het wereldrecord op de 100 meter. Als Jesse Owens afgelopen jaar had meegedaan met de wereldkampioenschappen op de 100 meter, dan zou hij, als de Jamaicaanse sprinter Usain Bolt al was gefinisht, nog vier meter hebben moeten lopen.
01:07
Dat is in de sprintwereld veel. Om te zien hoeveel dat is, laat ik een demonstratie zien die bedacht is door sportwetenschapper Ross Tucker. Neem het stadion in gedachten van het wereldkampioenschap op de 100 meter. Duizenden fans wachten met ingehouden adem om Usain Bolt te zien, de snelste mens ooit. Lampen flitsen als de negen snelste mannen ter wereld in de startblokken gaan staan. Neem eens aan dat Jesse Owens ook meedeed aan die race. Sluit je ogen even en stel je die race voor. Pang! Het startschot gaat. Een Amerikaanse sprinter springt naar voren. Usain Bolt begint hem in te halen. Bolt gaat voorbij, ze finishen. je hoort een piep bij elke man die de lijn passeert. (Piepjes) Dat is de hele finish van die race. Doe je ogen maar open. De eerste piep was Usain Bolt. De laatste piep was Jesse Owens. Luister nog eens. (Piepjes) Als je dat hoort, is het verschil maar klein. Bedenk dat Usain Bolt startte
02:08
door uit startblokken te starten en over een speciaal gemaakte baan te lopen, ontworpen om hem zo snel te laten lopen als menselijk mogelijk is. Jesse Owens moest daarentegen op sintels lopen, as van verbrand hout. Dat absorbeerde veel meer energie uit zijn benen als hij liep. In plaats van blokken, had Jesse Owens een schepje om kuiltjes te maken in de sintels, om daaruit te starten. Biomechanische analyse van de snelheid van Owens' gewrichten laat zien dat, als hij op dezelfde baan had gelopen als Bolt, hij niet 4 meter achter zou zijn geweest maar slechts een stap. In plaats van het laatste piepje zou Owens het tweede piepje zijn geweest. Luister nog eens. (Piepjes) Dat verschil komt van de technologie van de vloer, en dat hebben ze over de hele wereld gedaan. Neem eens een langer onderdeel. In 1954 werd Sir Roger Bannister de eerste mens die onder de vier minuten liep op de mijl. Tegenwoordig doen studenten dat elk jaar.
03:08
Heel soms zelfs middelbare scholieren. Tegen het eind van vorig jaar hadden 1.314 mannen de mijl onder de vier minuten gelopen Maar net als Jesse Owens liep Sir Roger Bannister op zachte sintels die meer energie uit z'n benen haalden dan de kunststofbanen van tegenwoordig. Ik heb biomechanici gevraagd hoeveel langzamer sintels zijn dan kunststofbanen. Zijn vinden het allemaal anderhalf procent langzamer. Als je die anderhalf procent toepast op alle mannen onder de vier minuten op een kunststofbaan, dan gebeurt er dit: er blijven er maar 530 over. Als je er zo naar kijkt, komen minder dan 10 mannen per [jaar] bij de vierminutenmijl-club sinds Sir Roger Bannister. 530 is veel meer dan een, ook omdat veel meer mensen zijn gaan trainen en omdat ze slimmer trainen. Zelfs universiteitsstudenten trainen professioneler dan Sir Roger Bannister, die 45 minuten per keer trainde. tussen zijn gynaecologielessen door. De man die de olympische marathon van 1904 won
04:10
in drie en een halfuur, dronk rattengif en brandewijn terwijl hij aan het lopen was. Zijn idee over stimulerende middelen. (Lachen) Atleten worden zeker verstandiger over prestatieverhogende middelen. In sommige sporten zag je dat soms goed, maar technologie deed veel in elke sport. Van snellere ski's tot lichtere schoenen. Kijk eens naar het record op de 100 meter zwemmen vrije stijl. Het record wordt nog steeds verbeterd, maar soms zie je steile afgronden. Deze eerste steile afgrond was in 1956. Het tuimelkeerpunt werd uitgevonden. Ze stopten niet meer om te keren, maar maakten een tuimeling onder water en gingen gelijk de andere kant op. Bij de tweede afgrond kwamen er goten aan de rand van het bad die klotsend water afvoerden dat zo geen golven meer maakte die zwemmers hinderen. Deze laatste afgrond was het lange zwempak met lage weerstand. In alle sporten heeft technologie prestaties in een ander licht gezet. In 1972 bracht Eddy Merckx het wereldrecord
05:12
zo ver mogelijk fietsen in een uur op 49 kilometer en 431 meter. Dat record werd steeds verbeterd doordat de fiets werd verbeterd en aerodynamischer werd tot aan 1996. Toen werd het 56 kilometer en 375 meter. Acht kilometer verder dan Eddy Merckx fietste in 1972. In 2000 besloot de ICU echter dat iedereen die het record wilde verbeteren, ongeveer dezelfde spullen moest gebruiken als Eddy Merckx had in 1972. Wat is het record op dit moment? 49 kilometer en 700 meter. In totaal 269 meter verder dan Eddy Merckx 40 jaar geleden. In feite was de verbetering van het record te danken aan technologie. Maar technologie is niet het enige dat atleten vooruit helpt. We zijn dan wel geen andere soort geworden binnen een eeuw, maar de genenbank binnen wedstrijdsport is vrijwel zeker veranderd.
06:14
In de eerste helft van de 20ste eeuw dachten trainers en coaches dat het gemiddelde lichaamstype het beste was voor alle sportieve inspanningen: gemiddelde lengte en gewicht, voor elke sport. En dat zag je aan de atleten. In de jaren 20 waren de beste hoogspringers en kogelstoters precies even lang. Maar dat idee ebde weg toen onderzoekers en coaches begrepen dat je beter een gespecialiseerd dan een gemiddeld lichaam kunt hebben, een dat atletische bijzonderheden heeft. Er kwam een soort kunstmatige selectie op gang. Een soort selectie van lichamen voor bepaalde sporten. Die lichamen werden meer verschillend. Nu is het een top-kogelstoter niet meer even groot als een top-hoogspringer, maar 6,5 centimeter langer en 59 kilo zwaarder. Dat zie je overal in de sportwereld. Als je lengte en gewicht in een grafiek zet, en elke stip zijn 24 sporters dan zag het er zo uit in de eerste helft van de 20e eeuw. Er is wat spreiding, Het is ongeveer gegroepeerd rond het gemiddelde lichaamstype.
07:16
Toen dat idee veranderde gelijk met de digitale revolutie, eerst radio, toen televisie en internet, kregen miljoenen en soms miljarden mensen een kaartje voor het beleven van topsportprestaties. Het prijzengeld en de eer en glorie lanceerden de top-atleten naar de smalle prestatie-top. Het versnelde de kunstmatige selectie van gespecialiseerde lichamen. En als je nu een stip zet voor diezelfde 24 sporten, dan ziet het er zo uit. De lichamen van de sporters zijn veel verschillender van elkaar. Omdat deze grafiek lijkt op de grafieken van een uitdijend heelal, met de sterrenstelsels die uit elkaar vliegen, noemen de ontdekkers het de 'big-bang van de lichaamstypes'. In sporten waar hoogte telt, zoals basketbal, worden de grote sporters groter. In 1983 tekende de NBA een historische overeenkomst. Spelers werden in de competitie partners. Ze gingen de opbrengst delen van kaartjes en tv-contracten. Opeens wilde die ertoe in staat was, NBA-speler worden.
08:16
Teams speurden de hele wereld af naar lichamen die ze kampioen konden maken. Plotseling verdubbelde het aandeel NBA-mannen dat meer dan 2,13 meter was, tot 10 procent. Tegenwoordig is 1 op de tien in de NBA meer dan 2,13 meter. Maar die lengte is enorm zeldzaam bij de normale bevolking. Zo zeldzaam dat als je een Amerikaan kent tussen 20 en 40 jaar die meer dan 2,13 meter is, dan is de kans 17 procent dat hij een NBA-speler is. (Lachen) Dus als je zes mensen vindt langer dan 2 meter 13, dan zit er op dit moment een bij de NBA. Dat is niet het enige unieke aan NBA-spelers. Dit is de Mens van Vitruvius van Leonardo da Vinci. de ideale verhoudingen. De armwijdte is gelijk aan de hoogte. Mijn armwijdte is precies gelijk aan mijn lengte. Die van jullie waarschijnlijk ook, maar die van een gemiddelde NBA-er niet. De gemiddelde lengte van een NBA-speler is 2 meter. met een armwijdte van 2 meter 13. Ze zijn niet alleen belachelijk lang,
09:17
ze reiken ook idioot ver. Als Leonardo een Vitruvius-NBA-speler had willen tekenen, moest dat een rechthoek en een ovaal zijn. Geen cirkel en een vierkant. Dus in sport waar grote maten welkom zijn, worden de lange atleten langer. Omgekeerd: in sporten waar kleine maten beter zijn, worden de kleine sporters kleiner. De gemiddelde top-gymnaste kromp van 1,60 naar 1,45 meter tijdens de laatste 30 jaar. Dat is beter voor hun kracht-gewicht-ratio, en voor draaien in de lucht. Terwijl de langen langer worden en de kleinen kleiner, worden de vreemden vreemder. De gemiddelde onderarmlengte van een waterpolospeler in verhouding tot de totale lengte werd langer: beter voor een krachtige zwiepworp. De langen worden langer, de kleinen kleiner en de vreemden vreemder. Bij het zwemmen is het ideale lichaamstype een lang bovenlichaam en korte benen. Zoals een lange romp van een kano voor snelheid op het water. Bij lopen juist omgekeerd. Dan wil je lange benen en een korte romp. Dit zien we nu bij het lichaam van atleten. Hier zie je Michael Phelps,
10:18
de beste zwemmer ooit, die naast Hicham El Guerrouj staat, de wereldrecordhouder op de mijl. Deze mannen verschillen 18 centimeter qua lengte, maar door hun verschillende type, voordelig in hun sport, dragen ze toch een even lange broek. 18 centimeter verschil in lengte, maar dezelfde beenlengte. Soms bracht het zoeken naar lichamen die de sportprestatie konden opstuwen, de wedstrijdsport bij volkeren die nooit eerder aan sport deden. Zoals bij Keniaanse langeafstandlopers. Wij denken aan Kenianen bij goede marathonlopers. Kenianen denken aan de Kalenjin-stam bij goede marathonlopers. De Kalenjin zijn maar 12 procent van de Keniaanse bevolking maar het is het merendeel van de toplopers. Toevallig hebben ze gemiddeld een unieke eigenschap: heel lange benen met erg dunne kuiten. Dat komt doordat hun voorouders dicht bij de evenaar in een erg heet en droog klimaat leefden. Door evolutie pasten ze zich aan door lange ledematen met dunne uiteinden
11:20
voor de afkoeling. Net als een radiator met grote koelbladen, om het koeloppervlak te vergroten ten opzichte van de inhoud. Omdat het been een slinger is, is lang en dun aan het einde effici├źnter bij het zwaaien. Om te zien hoeveel succes de Kalenjin hebben, nemen we de 17 Amerikanen die ooit harder dan 2 uur 10 hebben gelopen op de marathon. Dat is 3 minuten en 5 seconden per kilometer. 32 Kalenjin-lopers deden dat afgelopen oktober. (Lachen) En dat uit een bevolking zo groot als die van de stad Atlanta. Maar technologie en de veranderende genenbank is niet het enige wat de sport verbeterde. Atleten hebben een andere mentaliteit als vroeger. Zag je ooit in een film dat iemand een schok krijgt en door de kamer vliegt? Er is geen ontploffing. Wat er gebeurt, is dat de elektrische schok alle spiervezels in een keer aanspant, waardoor je jezelf door de kamer gooit. Ze springen in feite.
12:21
Dat is de kracht die in het lichaam zit. Normaal kunnen we die niet helemaal aanspreken. Onze hersenen beperken dat. Ze behoeden ons voor gebruik van alle kracht, omdat we ons anders bezeren. Onze pezen kunnen scheuren. Hoe meer we weten over die beperking, hoe beter we leren die te negeren. Een beetje. Soms door de hersenen te overtuigen dat het lichaam niet in levensgevaar komt door iets dieper te gaan. Uithoudingssport en ultrasport zijn een goed voorbeeld. Ultrasporten golden ooit als gevaarlijk voor het menselijk lichaam, maar nu we beseffen dat we alle eigenschappen hebben die perfect zijn voor ultrasporten: geen vacht en veel zweetklieren die ons afkoelen bij het lopen; smalle heupen en lange benen ten opzichte van ons gestel; grote gewrichtsvlakken die schokken absorberen. We hebben een voetboog die werkt als een veer, korte tenen die beter voor de afzet zijn dan voor het grijpen van takken en als we lopen, draaien we lijf en schouders terwijl we ons hoofd recht kunnen houden. Onze neef de aap kan dat niet.
13:21
Ze moeten zo lopen. En we hebben dikke bilspieren die ons rechtop houden bij het rennen. Heb je wel eens een apenkont gezien? Ze hebben geen spierkussens omdat ze niet rechtop lopen. Toen atleten merkten dat ze perfect waren voor ultrasporten deden ze dingen die voorheen onmogelijk leken. De Spaanse uithoudingssporter Kilian Jornet bijvoorbeeld. Dit is Kilian toen hij de Matterhorn op rende. (Lachen) Met z'n shirt om z'n middel geknoopt. Zo steil dat hij niet kan rennen. Hij trekt zich op aan een touw. Dit is een verticale klim van meer dan twee en een halve kilometer. Kilian ging omhoog en naar beneden binnen drie uur. Ongelofelijk. Hoewel hij talent heeft, is Kilian niet uitzonderlijk qua lichaam. Nu hij dat heeft gedaan zullen meer mensen dat gaan doen, zoals andere atleten Sir Roger Bannister volgden toen hij onder de vier minuten op de mijl liep. Andere technologie, andere genen, en een andere instelling. Innovatie in de sport,
14:21
of dat nou een andere baan is of een nieuwe zwemtechniek, de democratisering van de sport, andere lichamen en met nieuwe bevolkingsgroepen, en verbeelding in de sport, en kennis over wat de mens werkelijk kan, zorgen ervoor dat atleten sterker worden, sneller, forser, en beter dan ooit. Dank je wel. (Applaus)

DOWNLOAD SUBTITLES: